Op eigen kracht
door Michelle 
Op eigen kracht is een eerlijk en persoonlijk verhaal over vallen, opstaan en jezelf opnieuw leren vinden wanneer het leven je uit balans brengt. In dit boek neemt Michelle je mee door herinneringen uit haar jeugd, momenten van verlies, onzekerheid en het gevoel je plek in de wereld te moeten zoeken.
Met openheid schrijft ze over dromen die groter waren dan haar omgeving soms begreep, over doorgaan terwijl verdriet stil aanwezig bleef, en over de kracht die ontstaat wanneer je leert vertrouwen op jezelf. Geen perfect verhaal, maar een echte reis vol emoties, hoop, groei en veerkracht.
Tussen pijn en doorzettingsvermogen ontstaat langzaam een vrouw die haar eigen pad durft te kiezen. Op eigen kracht gaat over kwetsbaarheid, innerlijke kracht en het besef dat je, zelfs na moeilijke periodes, opnieuw kunt bouwen aan jezelf en aan je toekomst.

Op eigen kracht

Op eigen kracht – een verhaal dat groeit
Soms begint iets klein.
Met een gevoel. Een herinnering. Een stukje dat eruit wil.
Op eigen kracht is niet zomaar een boek.
Het is ontstaan vanuit mijn eigen reis. Vanuit momenten waarin ik zocht, twijfelde, viel… en weer opstond. Vanuit het verlangen om mijn eigen pad te vinden, ook wanneer dat niet altijd werd begrepen door anderen.
Dit verhaal groeit.
Niet in één keer, niet perfect, maar stap voor stap. Net zoals het leven zelf.
Op deze pagina deel ik stukjes uit mijn boek. Ruwe stukken. Eerlijke stukken. Fragmenten die laten zien waar het vandaan komt en hoe het zich langzaam vormt tot iets groters. Tot een volledig verhaal dat op een dag echt af zal zijn.
Maar voor nu…
wil ik je meenemen in het proces.
Misschien herken je jezelf in bepaalde woorden.
Misschien voel je iets.
Misschien geeft het je een klein lichtpuntje.
Dit is mijn verhaal.
Geschreven op eigen kracht.
En ik deel het met jou… stukje voor stukje.

Hoofdstuk — Tussen weilanden en stilte
Ik ben geboren op een klein boerderijtje. Met jonge ouders, een oudere broer en een wereld die voor mijn gevoel eindeloos groot was.
Als ik eraan terugdenk voel ik het meteen weer. Geen verdriet, geen zwaarte. Alleen die warme kriebels van geluk diep in mijn buik. Het gevoel van thuis.
Ik herinner me de meters grond voor ons huis en achter ons huis. Weilanden waarin koeien rustig graasden terwijl hazen door het hoge gras schoten alsof ze haast hadden met leven. Ik hield mijn ogen open voor sluwe vossen en kleine muizen die zich verscholen tussen het groen. Ik vond het prachtig. De natuur voelde nooit groot of eng. Het voelde alsof ik erbij hoorde.
Mijn buren waren geen gewone buren. Aan de ene kant woonden mijn opa en oma van mijn vaders kant. Aan de andere kant mijn twee ooms, broers die samen leefden. Eeuwige vrijgezellen noemden we ze lachend. En verder was er eigenlijk niets. Geen drukte. Geen rijen huizen. Alleen landschap, lucht en vogels die zongen alsof ze iedere ochtend opnieuw begonnen aan een concert.
Mijn grootouders en mijn ooms hadden allemaal hun eigen moestuin. Voor mij waren dat geen tuinen, maar schatkamers. Dagelijks liep ik er rond om stiekem iets te snoepen tussen de groenten en het fruit. Ik verzorgde de konijnen van mijn oom alsof het mijn eigen dieren waren en maakte lange wandelingen met de honden. Ik was nog maar vier jaar oud, maar de rottweiler die bij ons woonde als waakhond was mijn beste vriend. Groot, sterk en indrukwekkend voor anderen. Voor mij gewoon veilig.
Al vroeg voelde ik dat ik anders was dan andere kinderen. Niet beter. Niet slechter. Gewoon… anders.
Ik voelde meer. Veel meer.
Als ergens spanning hing of iets niet klopte, reageerde mijn lichaam daar meteen op. Een onrustig gevoel kon als een storm door me heen trekken. Alsof mijn lichaam alarm sloeg nog voordat mijn hoofd begreep waarom. Ik leefde sterk vanuit gevoel, iets waar ik toen nog geen woorden voor had.
Ik was een echt buitenkind. Altijd op ontdekkingstocht. Altijd verzonken in mijn eigen wereld. Ik kon uren verdwijnen in mijn gedachten terwijl ik tussen de weilanden liep alsof ik mijn eigen verhaal leefde.
Maar aan die rustige jaren kwam langzaam een einde.
We verhuisden naar Coevorden. En niet lang daarna werd ik ziek.
Het is moeilijk om precies uit te leggen wat die periode met me deed. Misschien omdat sommige herinneringen nog steeds zwaar voelen als ik ze aanraak. Ik probeer er daarom niet te lang in te blijven hangen. Wat ik wel weet, is dat ik leerde mezelf klein te maken. Niet te veel vragen. Geen last zijn. Eigenlijk helemaal niets vragen.
Ik wist dat mensen me anders vonden. Misschien zelfs raar. Dat voelde ik zonder dat iemand het hoefde uit te spreken.
Vanaf groep vier ging ik weer naar school. Mijn ziekte begon langzaam afscheid van me te nemen en eerlijk gezegd miste ik haar geen seconde. De jaren daarvoor bracht ik vooral door in bed of op de bank. Niet omdat ik lui was, maar omdat mijn lichaam niet meer kon. Toch wilde ik altijd dicht bij de mensen zijn. Ik wilde erbij horen, zelfs wanneer ik geen energie had om mee te doen.
Het waren jaren van pijn. Pijn in mijn borst. In mijn hoofd. Moeite met ademhalen. Maar misschien nog erger was de leegte die erbij kwam kijken. Het gevoel dat niemand je echt zag. Soms dacht ik: liever ga ik dood.
Een gedachte die niet hoort bij een kind van zes, zeven of acht jaar oud.
Maar ergens diep vanbinnen zat iets dat niet wilde opgeven.
En op een dag kwam er licht terug. Mijn ziekte verloor terrein en ik kreeg langzaam weer energie. Alsof mijn lichaam zich herinnerde hoe leven hoorde te voelen. Ik ging terug naar school met de wetenschap dat ik een enorme achterstand had. Maar één ding wist ik zeker: “nee” en “dat kan niet” kwamen niet voor in mijn woordenboek.
Ik vocht me terug.
Mijn grootmoeder had me ondertussen al zoveel geleerd. Over doorzetten. Over stil zijn wanneer nodig, maar ook over sterk blijven zonder hard te worden.
In die tijd kreeg ik ook een beste vriendin. Sharon.
Zij werd mijn steun, mijn gezelligheid, mijn lach en mijn trots. Ik zou een compleet boek kunnen vullen met alle herinneringen die we samen maakten. En misschien doe ik dat ooit nog wel. Met Sharon voelde ik me vrij. Alsof het leven eindelijk weer kleur kreeg.
Ik droomde groot. Groter dan de wereld waarin ik leefde.
Ik wilde ontdekken. Reizen. Voelen. Begrijpen wat er allemaal nog meer bestond buiten de grenzen van mijn eigen omgeving.
Mijn jeugd voelde aan de buitenkant vrij. Mijn ouders waren druk met een duister geheim dat als een schaduw door ons gezin trok. Mijn broer bouwde ondertussen aan een indrukwekkende carrière als motorcrosstalent en bijna ieder weekend stonden we langs de crossbaan. Alles draaide om snelheid, prestaties en doorgaan.
En ik?
Ik eiste geen ruimte op voor mezelf.
Dus hoewel ik vrijheid kende, leefde ik tegelijkertijd opgesloten in mijn eigen web. Stil. Aangepast. Altijd alert.
Achter de schermen hadden we financieel gezien alles wat we wilden. Niets was onmogelijk. Maar ik leerde al jong dat rijkdom niet betekent dat er rust is. Het was het begin van jarenlang zwijgen. Verstoppen. Op mijn hoede zijn. Aanvoelen wanneer iets niet veilig voelde.
Toch ontdekte ik ook iets moois in mezelf.
Ik bleek goed te zijn in leren. In schrijven. En in tekenen.
Urenlang zat ik aan tafel met potloden, papier en verhalen in mijn hoofd. Ik ontwierp mijn eigen stripfiguren en verloor mezelf volledig in fantasiewerelden. Mijn superheldin heette Nadine. Samen met haar trouwe superhond JJ beleefde ze avonturen die groter waren dan het echte leven.
Misschien was dat mijn eerste manier van overleven.
Een eigen wereld creëren waarin alles mogelijk was.

Hoofdstuk — De avond waarop alles stilviel

Toen ik een jaar of twaalf was, veranderde mijn leven voorgoed.

Het kleine beetje veiligheid dat ik nog voelde, verdween in één enkel moment. Alsof iemand met één harde ruk de wereld onder mijn voeten vandaan trok. Alles draaide. Alles veranderde. En niets voelde daarna ooit nog hetzelfde.

Het was een warme zomeravond. Zo’n avond waarop het langer licht bleef en niemand eigenlijk naar binnen wilde. Zoals bijna iedere avond speelde ik buiten voetbal met de kinderen uit de buurt. Ondanks dat de zon laat onderging, hadden onze ouders één duidelijke afspraak: zodra de lantaarnpalen aangingen, ging je naar huis.

En dat deden we ook.

Toen de lichten aansprongen, pakte iedereen zijn fiets of liep zijn eigen kant op. Ik liep alleen naar huis, zoals altijd. Mijn vaste route ging langs de garageboxen, door een klein gangetje tussen de huizen en dan stond ik praktisch voor onze deur.

Maar die avond voelde anders.

Nog voordat ik de garageboxen bereikte, sloeg mijn gevoel alarm. Mijn ademhaling versnelde direct. Mijn hart begon hard in mijn borst te bonzen en al mijn zintuigen stonden op scherp. Ik hoorde voetstappen achter me. Geen rustig tempo. Geen gewone wandelpas. Snelle stappen.

Dichtbij.

Zonder na te denken begon ik te rennen.

Maar ik was te laat.

Twee harde handen grepen mijn schouders vast en met een brute ruk werd ik achterovergetrokken. Ik verloor mijn evenwicht en werd meters meegesleurd. Ik spartelde met mijn armen en benen, schopte, sloeg, vocht met alles wat ik had. Maar ik was een meisje van twaalf tegenover een volwassen man.

Mijn verzet betekende niets.

Ik werd een huis ingetrokken. Het enige wat ik me herinner van buiten, was een rode deur. Daarna werd ik verder naar achteren gesleept, een donkere woonkamer in. En daar zag ik voor het eerst het gezicht dat me jarenlang zou achtervolgen.

Een lange, getinte man met stekelig haar en een korte baard.

Hij ging bovenop me zitten, zijn knieën hard in mijn bovenarmen gedrukt zodat ik nauwelijks kon bewegen. Hij schreeuwde tegen me in een taal die ik niet begreep. Alles in mij schreeuwde terug van angst.

“Laat me los!”

Meer kreeg ik niet uit mijn mond.

Ik vocht met alles wat ik had, maar ergens voelde ik ook het moment waarop pure paniek mijn lichaam overnam. Mijn broek voelde warm en nat. Mijn wangen ook. Ik had van angst in mijn broek geplast en huilde tegelijk, terwijl ik probeerde te begrijpen waarom dit gebeurde.

Waarom ik.

En toen, midden in alle chaos, gebeurde er iets wat mijn leven redde.

Er werd hard op de deur gebonkt.

“Politie!”

Iemand had me gezien tijdens het gevecht buiten. Een buurjongen, misschien één jaar ouder dan ik, had alarm geslagen.

De politie kwam binnenstormen.

Ik herinner me vooral haar.

Een vrouwelijke agente die zonder twijfel mijn hand vastgreep. Vastberaden. Beschermend. Alsof ze direct begreep hoe bang ik was. Maar mijn ontvoerder liet me niet zomaar los. Terwijl zij mijn ene arm vasthield, trok hij hard aan mijn andere arm en bleef schreeuwen in die onbekende taal.

Maar zij liet me niet los.

Samen met haar collega’s trok ze me uiteindelijk bij hem vandaan en ineens lag ik huilend in de armen van iemand die veiligheid uitstraalde.

“Ik heb je,” zei ze.

Die woorden vergeet ik nooit meer.

Ze bracht me veilig thuis.

Maar thuis voelde niets veilig meer.

Mijn moeder en vader stonden daar zonder woorden, zonder houding, zonder idee dat mijn wereld zojuist volledig was ingestort. Het enige wat mijn moeder uiteindelijk zei was:

“Laten we die maar even wassen.”

Jarenlang heb ik me afgevraagd waarom ik geen knuffel kreeg. Waarom niemand me stevig vasthield. Waarom er geen veilige armen waren waarin ik kon breken.

Maar later begreep ik iets belangrijks.

Hoe geef je liefde en veiligheid door, als je het zelf nooit hebt gekend?

Vanaf die avond verdween mijn veilige gevoel. Voorgoed.

Ik leerde alert te zijn. Op mijn hoede. Ik vertrouwde de wereld niet meer zoals daarvoor. Maar ergens, diep onder die angst, groeide later ook iets anders.

Kracht.

Later gaf ik het een plek. Later gaf ik het woorden. En later ontdekte ik wie mijn grootste beschermer werkelijk was.

Ikzelf.

En de man die mij meenam?

Hij kwam ermee weg.

Aangifte had geen zin, zei de rechter. Er was te weinig bewijs. Geen antwoorden. Geen gerechtigheid. Alleen stilte.

Oneerlijk. Pijnlijk. Onbegrijpelijk.

Totdat het leven, jaren later, alsnog een antwoord gaf.

Hoofdstuk – De stem die bleef
Ik was veertien.
En in mijn hoofd had ik de wereld al gezien.
Niet zoals die bedoeld was voor iemand van mijn leeftijd, maar zoals hij zich aan mij had laten zien. Ruw, onverwacht, soms te zwaar om te dragen. Dingen die niet pasten bij een meisje van veertien, maar toch een plek in mij hadden gevonden. Misschien juist daardoor voelde ik me ouder dan ik was. Alsof ik ergens een stuk jeugd had overgeslagen, zonder dat iemand me had gevraagd of ik dat wel wilde.
Het besef kwam stilletjes.
Niet met een klap, maar als een langzaam binnensijpelen van waarheid.
Ik had geen vrienden meer.
Of beter gezegd: ik had mensen die ik kende. Gezichten die ik herkende, namen die ik kon noemen. Maar niemand die me het gevoel gaf dat ik ertoe deed. Niemand bij wie ik echt kon landen. Ik bewoog me tussen mensen, maar voelde me nergens thuis.
En dus vond ik iets anders.
Of misschien vond het mij.
Mijn beste vriend werd mijn pen.
Mijn uitlaatklep werd het papier.
Daar, tussen regels en zinnen, kon ik alles kwijt wat ik niet hardop kon zeggen. Woorden die ik inslikte overdag, vloeiden er ’s nachts uit. Gedachten die te groot waren voor gesprekken, vonden hun plek in zinnen. Ik schreef gedichten, teksten, dagboeken, songteksten—alles wat maar een vorm kon geven aan wat er in mij leefde.
Ik kon er geen genoeg van krijgen.
Sterker nog, ik kon er niet meer mee stoppen.
Op school dwaalden mijn gedachten af naar zinnen die nog niet op papier stonden. Tijdens het maken van huiswerk schreef ik tussen de regels door mijn eigen verhalen. En diep in de nacht, wanneer de wereld stil werd, kwam mijn hoofd pas echt tot leven. Mijn gedachten stroomden door zonder pauze, zonder rem.
Slaap had ik nooit echt nodig.
Of misschien had ik het wel nodig, maar wist ik simpelweg niet meer hoe.
Ik functioneerde op weinig. Op wilskracht, op gevoel, op alles wat zich van binnen bleef opstapelen. En schrijven… schrijven gaf het een plek. Het maakte het draaglijk. Begrijpelijk, soms zelfs mooi.
En toen gebeurde er iets bijzonders.
Er ontstond een stem.
Diep in mij.
Een stem die woorden gaf aan wat ik zelf niet kon uitspreken. Een stem die bestaansrecht kreeg. Die groeide, sterker werd, helderder. Het was alsof er iets in mij wakker werd dat altijd al had bestaan, maar nu pas de ruimte kreeg om gehoord te worden.
Van buiten liet ik daar niets van zien.
Dit was van mij.
Ik hield het dichtbij, bijna verborgen. Niet omdat het klein was, maar juist omdat het zo groot voelde. Zo belangrijk. Misschien was ik bang dat het me zou worden afgenomen. Zoals er in mijn ogen al zoveel was afgenomen.
Dit… dit was iets wat niemand van mij kon pakken.
Dit was puur van mij.
En het hielp.


Titel: Stilte in Mij Song tekst 2003

Ik versta de wereld om me heen, ik begrijp elk woord
Maar het blijft zo stil vanbinnen, alsof iets mij verstoort
Ik hoor mezelf niet spreken, ik raak mezelf weer kwijt
Alsof ik in de schaduw leef, verdwaald in eigen tijd

Elke nacht denk ik weer aan de dag die ik heb geleefd
Hoe ik hem heb doorstaan, hoe ik hem heb overleefd
Zo automatisch ga ik door, waar ik ook besta
Gedachten op nul gezet, alsof ik niet meer voel wat was

Ik ben mezelf hier kwijt, waar moet ik naartoe
Zo verdwaald, zo alleen, met duizenden om me heen, en toch moe
Zoveel stilte, zoveel ruis, niemand die mij echt verstaat
Ik roep maar zonder woorden, niemand die mijn stem nog hoort of ziet waar ik sta

Zo in gedachten, zo gevormd naar wat de ander vraagt
Zo aanpasbaar geworden, zonder dat iemand ernaar vraagt
Ik sta hier maar ik voel het niet, alsof ik niet besta
Alsof ik door de wereld ga, maar niemand ziet me staan

Zoveel grijs en toch zoveel kleur, maar niemand die het ziet
Alsof mijn licht verborgen blijft, alsof het niet bestaat misschien
Ik zoek naar iets van mij, een stem die nog ergens leeft
Een fluistering van binnen, die mij weer richting geeft
Refrein (herhaling)
Ik ben mezelf hier kwijt, waar moet ik naartoe
Zo verdwaald, zo alleen, met duizenden om me heen, en toch moe
Zoveel stilte, zoveel ruis, niemand die mij echt verstaat
Ik roep maar zonder woorden, niemand die mijn stem nog hoort of ziet waar ik sta

En misschien, heel misschien
Vind ik mezelf weer terug…
In die stilte…
Die ooit van mij was


Hoofdstuk – Lichtpuntje
Ik had altijd al een droom.
Niet luid uitgesproken, niet groots gedeeld, maar stil aanwezig.
Iets voor mezelf beginnen.
Het zat er al vroeg in.
Een gevoel dat er meer moest zijn, dat ik iets kon neerzetten wat van mij was. Iets wat ik zelf vorm kon geven, zonder dat iemand anders bepaalde hoe het moest.
Maar elke keer als ik er voorzichtig over begon, als ik een klein stukje van die droom liet zien, werd het weer teruggeduwd.
“Maak eerst maar eens iets af.”
“Dat kost geld, dat heb je pas als je iets afmaakt.”
Het waren geen harde woorden.
Maar ze bleven hangen.
En misschien hadden ze ergens gelijk.
Misschien had ik het er zelf ook wel naar gemaakt.
Alles wat ik verdiende als schoonmaakster op een bungalowpark, gaf ik uit. Niet aan dingen die ‘hoorden’, maar aan dingen die voor mij belangrijk waren. Schriften. Pennen. Dingen om te schrijven, om te creëren. En ja, ook computerspellen—een manier om even ergens anders te zijn.
School…
Daar was ik met mijn lichaam, maar niet met mijn hoofd.
In mijn gedachten zat ik al ergens anders.
Ik wist dat ik een andere kant op wilde, alleen… die kant bestond niet in de keuzes die ik kreeg.
Ik zat in mijn derde leerjaar van de middelbare school en moest kiezen. Richting. Toekomst. Een pad.
Maar hoe kies je een pad als geen enkele richting voelt als die van jou?
Ik wilde de entertainment in.
Dat wist ik wel.
Vroeger droomde ik ervan om mijn eigen show te hebben op televisie. Ik was gek op TMF – The Music Factory. Ik kon er uren naar kijken, uren over praten. Boybands, girlbands, muziek—alles fascineerde me. Het was energie, gevoel, expressie.
En dansen…
Dát zat ook in mij.
Maar dat bleef thuis.
Mijn broer had zijn sport. Motorcross.
Een droom die zichtbaar was. Tastbaar. Waar tijd en geld naartoe gingen. En terecht, want hij leefde ervoor.
En ik?
Ik durfde het niet te vragen.
Niet omdat ik het niet wilde, maar omdat ik voelde dat er al gekozen was. Of misschien… omdat ik bang was dat er niet voor mij gekozen zou worden.
Dus hield ik het stil.
Thuis creëerde ik mijn eigen wereld.
Ik bedacht choreografieën. In mijn hoofd zag ik groepen dansers samenkomen, bewegingen die perfect in elkaar overvloeiden. Ik leefde in een wereld die voor mij heel echt was, maar die niemand anders zag.
En ergens vond ik dat ook goed.
Want ik gunde mijn broer zijn droom.
Ik wilde niet dat mijn ouders moesten kiezen.
Niet tussen hem en mij.
Dus koos ik voor de veilige weg.
Of eigenlijk… ik koos niet echt.
Op school keek ik overal een beetje. Ik liep mee, probeerde, voelde… maar nergens vond ik mezelf terug. Uiteindelijk koos ik, bij gebrek aan beter, voor de verzorging.
Een keuze op papier.
Niet in mijn hart.
Maar mijn droom…
Die liet ik niet los.
Die werkte ik uit.
Pagina na pagina.
Alsof ik wist:
dit is nog niet het einde van mijn verhaal.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.